Een persoonlijke missie: André Peperkamp over zijn uitzending naar Libanon

In dit persoonlijke verhaal blikt André Peperkamp terug op zijn uitzending naar Libanon (1980–1981) met UNIFIL. Hij deelt zijn ervaringen van voor, tijdens en na de missie.


André Peperkamp, zittend in veteranentenue
André Peperkamp

Een trotse veteraan

Andreas Wilhelmus Antonius Peperkamp
Geboren te Tiel, 25-03-1960

Missie: United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL), Libanon


De start van mijn diensttijd

Op woensdag 2 januari 1980 moest ik mij voor mijn militaire dienstplicht melden op de Koningin Wilhelminakazerne te Ossendrecht. Ik werd ingedeeld bij de Aan- en Afvoertroepen (AAT) en zou opgeleid worden tot Landroverchauffeur. Hoewel ik al een rijbewijs had, was dat voor Defensie niet voldoende. Voordat ik een defensievoertuig mocht besturen, moest ik eerst het militair rijbewijs behalen.

Foto van Land Rover 88 Series III 5kN 4x4-lichte vrachtauto
Land Rover 88 Series III 5kN 4×4-lichte vrachtauto
Foto: Collectie NIMH

De opleiding was opgedeeld in twee delen: fysieke training en rijopleiding. De fysieke training bestond uit marsen, hindernisbanen, conditietraining en de basisregels van het soldatenleven. De rijopleiding betrof het besturen van de Landrover en de technische kennis die onderdeel was van het theorie-examen.

In het begin waren we, als dienstplichtigen, een grote groep vreemden van elkaar, maar konden het al snel opvallend goed met elkaar vinden. De sfeer was goed, en we hielpen elkaar door de opleiding. Na een week of twee begon ik me echter te vervelen. Voor mijn diensttijd werkte ik zes dagen per week, vaak tien tot twaalf uur per dag. Het vooruitzicht om na de opleiding vooral te moeten wachten, trok me niet.

Ik wilde meer uitdaging. Na advies van de administrateur van de eenheid sprak ik met hem over de mogelijkheid om me aan te sluiten bij de VN. Hij kwam met een concreet voorstel: een VN-functie met aanvullende opleidingen en uitzending. Na een nachtje slapen heb ik getekend.


Naar Assen en het vervolg

Begin maart 1980 werd ik overgeplaatst naar de Johan Willem Frisokazerne in Assen, bij de Alfa-compagnie. Daar moest ik twee dagen wachten op onze nieuwe commandant, kapitein Werner van de Berg, en sergeant-majoor Piet Filius. Beiden kwamen van de commando-opleiding in Roosendaal.

Tijdens mijn eerste gesprek met kapitein Van de Berg werd duidelijk dat ik zijn chauffeur zou worden. Hij gaf me de opdracht om de VN-opleiding, die volledig was uitgestippeld, met succes af te ronden. Voor verdere uitleg verwees hij me naar de administrateur van de Alfa-compagnie.

De maandag daarop meldde ik me bij de Kromhoutkazerne in Utrecht. Daar kreeg ik een spoedcursus in het demonteren, schoonmaken en weer in elkaar zetten van allerlei wapens. Daarna gingen we naar schietbaan Witten in Assen om te leren schieten met deze wapens. Vervolgens volgde een spoedcursus radio/telefonie — inclusief onderhoud van de apparatuur.

Foto YP-408, pantserwielinfanterie voertuigen van de A-cie staan gereed voor inladen in Ms. Dock Express te Rotterdam
YP-408, pantserwielinfanterie voertuigen van de A-cie staan gereed voor inladen in Ms. Dock Express te Rotterdam
Foto: NIMH collectie KL

Daarna ging ik naar Ermelo (Generaal Spoorkazerne) voor omscholing tot bestuurder van alle militaire voertuigen: van de Nekaf (Amerikaanse Jeep M38A1) tot de ééntonner (DAF YA-126), de drie tonner (DAF YA-328), de zes tonner (DAF YB-616), en zelfs de tien ton pantserwagen (DAF YP-408) in diverse uitvoeringen.

Ik leerde ook hoe je een YP-408 op een FTF vrachtwagen moest rijden, vastzetten en lossen. Vervolgens werd ik opnieuw naar Ossendrecht gestuurd om mijn motorrijbewijs te halen. Door hevige sneeuwval weigerde ik te rijden — wat me een “douw” (boete red.) van 80 gulden opleverde.


Oefeningen met explosieven en extra schietoefeningen

Op het natuurgebied Rustven (Springterrein Schaijk) leerde ik het leggen en ruimen van mijnenvelden, boobytraps, het gooien van handgranaten en het beveiligen van kruisingen en splitsingen. Die opleiding kwam goed van pas tijdens mijn uitzending.

Afbeelding van blauwe VN-halsdoek, blauwe baret met VN embleem en baluw schouderkoord
Halsdoek, baret en VN-koord

Daarna keerde ik terug naar Assen. Ik deed oefeningen, liep marsen (waarvan één van 60 km), en had meerdere schietoefeningen op terrein Witten, met bijzondere aandacht voor de Uzi en het pistool — en in mindere mate het geweer FAL en MAG-mitrailleur.

Een week voor onze uitzending naar Libanon kregen wij, in het bijzijn van onze ouders, te horen dat we de VN-opleiding met succes hadden afgerond. Kapitein Van de Berg had ons getraind alsof we commando’s waren. Dat gaf extra waarde aan onze blauwe baret, het koord en de halsdoek. Ik heb deze VN-uitmonstering altijd met trots gedragen.


Kaart met vliegroute van Schiphol naar Beiroet
Schiphol – Beiroet
kaart: Google Maps (bewerkt)

De uitzending naar Libanon

Half juli 1980 vertrokken we naar Zuid-Libanon. Vanaf de Johan Willem Frisokazerne reden we per bus naar Schiphol, om met een Noors vliegtuig naar Beiroet1 te vliegen. Bij aankomst werden we verwelkomd door een verstikkende hitte.

Na instructies en het in ontvangst nemen van onze plunjebaal werden we in drie tonners naar Zuid-Libanon vervoerd, onder beveiliging van YP’s met gewapende manschappen. Een deel van ons ging richting Charlie-compagnie, de rest via Qana naar Compound 7.8. Ik werkte de eerste weken vanuit die compound.

Bij buitenpost 7.12 (Rechknanay) hadden ze een allround chauffeur nodig — iemand die bevoorrading kon doen, patrouilles uitzetten, voertuigen kon besturen en onderhouden. Met mijn uitgebreide opleiding was ik daar precies op mijn plek.


Dagelijkse routine en gevaren

Mijn dagen begonnen om 03:00 uur met wachtdienst. Daarna zette ik de patrouille uit richting post 7.15A, waarbij ik onderweg ontbijt ophaalde bij Compound 7.9. De patrouille moest te voet verder vanaf post 7.23 — een gevaarlijke tocht door bergen en wadi’s, met wilde dieren én strijdgroepen.

Foto van DAF YA-126 één-tonner in witte kleur van de VN, voorzien van zwarte letters UN
DAF YA-126
Foto: Privé collectie André Peperkamp

Zelf ben ik één keer meegelopen, om te ervaren wat deze tocht inhield. De manschappen van post 7.15A moesten zorgen dat lokale strijdgroepen op afstand bleven van de Israëlische grens.

De rest van de dag verzorgde ik logistieke ritten en rond 16:00 haalde ik de patrouille weer op. Bij post 7.23 stond een huis waar ik soms thee kreeg aangeboden als ik moest wachten.

Mijn dienst eindigde rond 21:00 uur, waarna ik rond middernacht weer opstond voor een nieuwe wachtdienst.


Relatie met de bevolking

Op Compound 7.12 hadden we het relatief goed. Ik bezocht ook andere compounds, zoals Haris, en ging weleens winkelen in Qana. Officieel mocht dat niet, maar met een beetje plannen kon het prima.

Met de lokale bevolking in Rechknanay bouwde ik een goede band op. Ik had een wasvrouw die ook persoonlijke boodschappen regelde. Ze werd goed betaald en kreeg regelmatig snoepgoed voor haar kinderen. In ruil kreeg ik informatie over wat er speelde in het dorp en de omgeving. Zo kon ik beter inspelen op dreigingen.

We probeerden respectvol om te gaan met de bewoners — geen wapen in de aanslag, niet zwaaien naar vrouwen, vriendelijk groeten. De dorpelingen stelden onze aanwezigheid op prijs. De meeste problemen kwamen van strijdgroepen, niet van hen.


Van droogte naar modder

André’s truck
foto: privé collectie André Peperkamp

Na de zomertijd volgde de regentijd en later de winter. Alleen in de hoger gelegen gebieden viel sneeuw. In de zomer was het bloedheet, maar in de regentijd vroeg je je af waar al dat water vandaan kwam — het kon dagenlang aan één stuk door regenen. De wegen, sowieso al slecht begaanbaar met kuilen en inslaggaten, werden spekglad en gevaarlijk. Ik had het vooral te doen met de manschappen die hun patrouilles door de bergen moesten lopen, vaak door wadi’s die volstonden met regenwater.

De regen bemoeilijkte alles. Giftige dieren, zoals egels2, slangen en schorpioenen, waren in het natte landschap nog moeilijker te zien. Elke keer was ik opgelucht en tevreden als een patrouille weer veilig terugkeerde op onze compound.


Bouwen in de modder

Het voorportaal wordt gedoopt door collega Joop Koenen
foto: privé collectie André Peperkamp

Op een gegeven moment kregen we houten prefabs. De oude boogtenten konden worden afgebroken, maar de prefabs moesten we zelf opbouwen — midden in de regentijd. Hoe ze dat konden verzinnen?

Over de glibberige wegen probeerden we met man en macht alle spullen op de juiste plek te krijgen. Gelukkig hadden we binnen de groep de nodige vakkennis: een bouwvakker, timmerman, zelfs een loodgieter. Samen hebben we een voorportaal aan de prefab gebouwd, met stenen uit het dorp, zand van het strand en ieders inzet. Zo konden we natte kleding netjes buiten laten en bleef de slaapruimte droger en schoner.

Later hebben we ook een schuilkelder aangelegd — geen overbodige luxe. Israëlische straaljagers vuurden regelmatig raketten af, bedoeld voor strijdgroepen, maar de inslagen kwamen ook gevaarlijk dicht bij ons. Dan was zo’n schuilkelder letterlijk van levensbelang.


De terugkeer en wat daarna kwam

Op 28 januari 1981 keerden we terug naar Nederland.

Van een grote groep manschappen van posten 7.12 en 7.9 heb ik tot op de dag van vandaag de privégegevens. Daardoor hebben we al die jaren contact gehouden. Ruim 44 jaar later wordt de groep helaas kleiner. Sommigen hebben de overgang naar het burgerleven moeilijk doorstaan. PTSS-problemen (Post Traumatisch Stress Syndroom) kwamen bij sommigen meteen, bij anderen pas na jaren.

In het begin wisten we niet wat PTSS was, laat staan waar je hulp kon krijgen. Persoonlijk kreeg ik pas na twintig jaar een dikke envelop van Defensie met vragenlijsten. Langzaam kwam er meer aandacht voor hulp — en dat bleek broodnodig voor velen.

Via het Veteraneninstituut in Doorn kwam ik in contact met lotgenoten. Ik werd ingezet als ervaringsdeskundige, om te luisteren en waar mogelijk wat afleiding en positiviteit te brengen. Zelf ben ik de uitzending goed doorgekomen en kijk met trots terug. We hebben onze taak zo goed mogelijk volbracht.

Ook heb ik meegewerkt aan de opzet van De Veteraan voor de Klas. Omdat ik zelf uit het onderwijs kom, kon ik mijn achtergrond mooi combineren met mijn ervaring als veteraan. Nu, 25 jaar later, is het een begrip geworden — en gelukkig maar. Want we moeten blijven vertellen dat vrede niet vanzelfsprekend is.


Libanon als tweede thuis

Afbeelding van de libanese vlag: Smalle rode horizontale baan met daaronder een brede witte baan met groen boom figuur, gevolgd door smalle rode horizontale baan
Libanese vlag
Afbeelding: Henri Pharaon, Public domain, via Wikimedia Commons

Samen met een aantal oud-Unifil’ers hadden we het plan om in oktober 2023 terug te keren naar Zuid-Libanon. Tijdens die reis — die ik mede heb uitgestippeld — wilden we ook langs “mijn theehuis” bij post 7.23. De bewoonster is inmiddels overleden, maar haar dochter woont er nog steeds en heeft een foto van haar moeder en mij.

Helaas gooide het uitbreken van de oorlog op 7 oktober 2023 — tussen Israël en Hezbollah — roet in het eten. De reis werd uitgesteld. Hoewel er inmiddels een nieuwe datum gepland was, is de situatie in het Midden-Oosten nog te onrustig. De reis is voorlopig opgeschort.

Toch voelt Zuid-Libanon voor veel Unifil’ers als een tweede vaderland. Gelukkig sta ik op de lijst voor het moment dat een nieuwe reis weer veilig en mogelijk is.


Een trotse veteraan.
André Peperkamp



  1. In dit artikel worden plaatsen en posten genoemd. Om een beter beeld te krijgen verwijzen je naar de website: unifil-de-posten.nl ↩︎
  2. Noot van de redactie: Egels zijn niet giftig. Mogelijk is hier sprake van verwarring met een ander dier of foutieve herinnering. ↩︎

Delen
✔️ Link gekopieerd!
Word lid